Al een paar dagen staat er op een stukje muur, in een hoek, naast de Lidl “hier geen boodschappenwagens aub”.

Het is meteen bij de uitgang. Waarschijnlijk plaatsen mensen hun wagentje daar, halen ze hun boodschappen eruit en lopen naar de auto. De boodschappenwagentje moet echter iets verderop geplaatst, waar het hoort.

Een par dagen later zie ik er een groter papier bij staan. Met zwart viltstift staat er nu nog groter opgeschreven “HIER GEEN BOODSCHAPPENWAGEN PLAATSEN AUB!!!”, met wat extra uitroeptekens. Het eerste briefje staat er ook nog steeds bij. Er zijn nu dus 2 briefjes.

Waarschijnlijk hielp het eerste briefje niet. Ik zag het zelf ook. Elke keer als ik boodschappen deed zag ik daar een rij wagentjes staan.

Vorige week zag ik een echtpaar, de leeftijd van mijn ouders, misschien iets ouder. Ze plaatsten het wagentje precies bij de uitgang. Precies bij het stukje muur met de waarschuwing erop. Twee briefjes. Ze moesten de waarschuwing wel hebben gelezen. Toch, geheel nonchalant, alsof de hele wereld om hun draaiden, haalde ze hun boodschappen uit het karretje, om vervolgens weg te lopen.

Ik trok het niet. “Sorry, mevrouw, meneer? Er staat daar duidelijk dat daar karretjes geplaatst mogen worden”.

Dat zie ik, zei de man. En hij liep weer verder. Ik was met stomheid geslagen.

En ik voelde een boosheid. Een intense boosheid. Een boosheid naar dit soort mensen, het soort mens dat wel even doen wat hij zou doen. Dat zich het kon veroorloven om de dingen te doen die ze wilden doen.

Ik liep ze achterna. Ik ging voor ze staan.

“Nee, nee”, zei ik. “Zo werkt dat niet. Er staan daar 2 briefjes waarop duidelijk staat dat er geen karretjes geplaatst mogen worden. Ik kom hier bijna elke dag en bijna elke dag zie ik medewerkers van de Lidl die karretjes weer terug zetten waar het hoort omdat mensen als jullie, ja als jullie ja, niet het fatsoen hebben om een paar stappen verderop, kijk daar is het, ik wees naar ietsje verderop, daar moet je het wagentje terug zetten”.

Ze keken mij aan. Waren stil.

“Ja, sorry, u kunt wel zo naar mij kijken, maar ik vind dit zo asociaal. Gewoon het gemak waarmee u wegloopt. Wie doet u wat. Helemaal niemand. Ik ben jonger dan u en moet ik u nou toespreken?”

Doe het zelf dan stomme trut, zei hij. De vrouw stond erbij te lachen.

Witheet werd ik. Woedend was ik. Ik had zin om haar boodschappentas uit haar handen te trekken, weg te gooien, alle boodschappen op de grond. Ik had hem zin om hem een knal te verkopen, op die rotkop van hem, die nonchalante wie doet me wat kop, godverdomme.

Ik deed mijn ogen dicht.
Ik telde tot 10. Tot 20.

Ik deed mijn ogen open.

“Ik ga dat doen”, zei ik. “Ja, ik zal uw wagentje wel terugzetten. Er komt een dag dat u hierop terug kijkt en spijt gaat krijgen. Hopelijk gebeurd dat voordat uw laatste adem is geslagen. Fijne dag”.

Ik liep naar het wagentje en met een knal zette ik het terug.

De volgende dag zag ik er weer wagentjes staan.

Written by

Zine 1 “Liefde” (2019). Boek 1. “Ik ben er (ook) nog” (maart 2020). Ben trouwens ook nog eens moeder.

Get the Medium app

A button that says 'Download on the App Store', and if clicked it will lead you to the iOS App store
A button that says 'Get it on, Google Play', and if clicked it will lead you to the Google Play store