Mijn nichtje Sita uit Indonesie is gisteravond overleden. Ik schrok. Ze is iets jonger dan mijn zusje, volgens mij 30 jaar.

Hoe kan dat nou opeens, vroeg ik mijn moeder, en zoals altijd moest ze mij het antwoord schuldig blijven. Ze was al wat ziekig, zei mijn moeder.

Hoe ziekig, vroeg ik. Ja, ik weet niet, zei mijn moeder. Je weet wel hoe dat gaat in Indonesie.

Het is waar. Zo gaat dat dus in landen als Indonesie. Afgelopen jaren is mijn moeder al haar broers verloren. Alleen de meisjes zijn nu over, mijn moeder, haar zusje en drie zussen. Ze hadden nog een broer.

Je mag niet doodgaan, zei mijn moeder tegen hem, ongeveer twee jaar geleden toen ze er op vakantie was. Je bent de enige broer nog.

Hij moest lachen. Maar zoals dat altijd gaat in Indonesie kun je de ene dag verkouden zijn en de andere dag in coma liggen.

Hoe dat kan? Het land zelf natuurlijk met lang niet zulke goede medische zorg als in Nederland. Bovendien moet je er zelf voor betalen. Heb je geen geld? Jammer dan.

De levensomstandigheden ook nog: geen goede hygiene, geen schoon water. Weinig kennis ook. Geen vitamines.

En dan ook nog: er wordt niet goed onderzoek gedaan. Hier in Nederland wordt je onderzocht, getest: wat heb je, hoe kan het dat je dat hebt, zit het misschien in de familie? In Indonesie heb je daar geen geld voor en bovendien en, nu komt een stukje cultuur naar boven, leven ze daar meer volgens het principe “het is zoals het is”. Wat heb je aan onderzoeken, aan voorkomen, aan testen als het gewoon simpelweg je tijd is om te gaan?

Hoe mijn vader het gisteren simpel bewoordde “in Indonesie kun je doodgaan aan een gebroken teen”.

Ik was er weer verbaasd over, gisteren bij mijn ouders. Mijn moeder belde met Indonesie. Wij keken naar de persconferentie. Ik vroeg hardop “hoe kan het toch dat ze zomaar is overleden?”. En mijn man zei “Indonesie is niet het enige land waar het zo slecht is geregeld”.

Vanochtend fietsten we naar het bos. We wandelden. We zagen een skatebaan waar de jongens wilden spelen. Een andere moeder kwam aanlopen met haar drie kinderen. Ik zat op het bankje. Ze ging naast me zitten, of nouja, met de nodige afstand. We hadden het over drie weken thuiszitten met drie kinderen. We gaven elkaar tips voor leuke bossen omgeving. Ze zei “ik moet morgen naar school, dan kan ik het thuiswerk ophalen”.

Ik wil dit stukje niet eindigen met “kijk toch eens hoe goed we het in Nederland hebben”.

Misschien bedoel ik dat eigelijk toch wel.

Written by

Zine 1 “Liefde” (2019). Boek 1. “Ik ben er (ook) nog” (maart 2020). Ben trouwens ook nog eens moeder.

Get the Medium app

A button that says 'Download on the App Store', and if clicked it will lead you to the iOS App store
A button that says 'Get it on, Google Play', and if clicked it will lead you to the Google Play store