Vorig weekend, op een kinderfeestje:

veel kinderen, veel ouders dus. Ik ken ze niet allemaal heel goed, dus besloot hier en daar een praatje te maken. Met een paar moeders gesproken. We hebben allemaal kinderen in vrijwel dezelfde leeftijdscategorie. Een moeder zegt dat ze niet kan wachten tot haar derde kind uit de luiers is. Haar oudste is , net als nr1, zes jaar. Ik zit al zes jaar met slaaptekort, zucht ze. Dat zou een zin van mij kunnen zijn, zeg ik terug. Een andere moeder heeft 2 kinderen, het blijft daarbij. Ik ben geen leukere moeder met 3 kinderen, zegt ze. Het is goed zo.

Ik zie en herken de stress bij de ouders. Slaaptekort. Snauwerig. Af en toe komen wat kindjes bij ons, ze willen wat laten zien, of iets eten, of wat dan ook. Ik hoor een moeder zeggen “ja, ok, heel mooi, ga nu maar weer spelen”. Ik herken het. Ik snap het ook. Niets vervelender dan eindelijk eens met een volwassene praten en vervolgens gestoord worden.

Even later komt de taart op tafel. Foto’s maken. Zingen. Ook hier valt het me op: een vader die zegt “niet doen, afblijven van die taart!”, een andere moeder die zegt “en nu even ophouden”. Het geduld raakt op.

Later op de avond dacht ik terug. Allemaal ouders. Allemaal kleine kinderen. Tropenjaren noemen ze dat volgens mij. We zijn allemaal moe. We hebben allemaal geen geduld meer. De kinderen zijn vervelend, of nouja, wij zijn dat.

Gisteren bij het zwembad,in de kleedkamer:

we doen met z’n allen ons best om de kinderen snel af te drogen, snel aan te kleden en snel weer naar huis te gaan. Snel, want er moet gekookt worden, er moeten boodschappen gedaan worden, en we zijn moe, allemaal moe. Ik merk het aan mezelf, ik erger me aan de jongens dat ze staan te dromen en totaal geen haast hebben met hun zwembroek uit te doen. Ik zie het aan een andere ouder, een vader die in discussie is met zijn zoontje “nee, je krijgt straks geen ijsje, en ga je nu nou even uitkleden”. Naast mij zit een moeder met haar zoontje die er totaal geen zin in heeft vandaag. Niet in douchen, niet in shampoo in zijn haren, niet in afdrogen, niet in omkleden. Hij is boos, hij stampvoet, ik probeer er niet op te letten, niet naar te kijken. De hele kleedkamer hoort hoe de moeder geduldig probeert te blijven, regie probeert te houden. Geef me mijn broek, zegt het jongetje, en de moeder houdt vol “niet op de manier hoe je het vraagt”. Ik hoor haar zuchten, ik voel haar vermoeidheid, haar energie, haar twijfel, haar onzekerheid, haar schuldgevoelens.

Ik ben klaar met de jongens aan te kleden en we lopen naar de kantine. Daar krijgen ze nog even wat drinken. Ik wil wachten op de moeder uit de kleedkamer.

Als ze eindelijk uit de kleedkamer komt zie ik haar diep zuchten. Ze zet haar jurk recht, en doet de charmante blauwe hoesjes uit die je over je schoenen moet doen. Ik besluit haar aan te spreken. Een aai over haar arm. He, zei ik, je doet het goed hoor. Ze glimlacht. Vermoeid. Wat een hel, zegt ze. Deze fase. Ik weet het, zeg ik. Je bent niet de enige hierin, geloof me. Ze kijkt me aan. Ze bijt op haar lip, kijkt naar buiten, ik zie dat ze moeite heeft om niet in tranen uit te barsten. Echt niet de enige, zeg ik nog eens, en ik aai nogmaals over haar arm. Ze lacht. Dankje, zegt ze. Het voelt echt goed om dat even te horen.

Written by

Zine 1 “Liefde” (2019). Boek 1. “Ik ben er (ook) nog” (maart 2020). Ben trouwens ook nog eens moeder.

Get the Medium app

A button that says 'Download on the App Store', and if clicked it will lead you to the iOS App store
A button that says 'Get it on, Google Play', and if clicked it will lead you to the Google Play store