Blijft er wel iets mysterieus aan mij

Toen ik eenmaal op het schoolplein stond realiseerde ik me dat ik mijn huissleutels thuis was vergeten.

Oh jongens, shit, zei ik hardop, en nr2. zei oh mama, dat mag je niet zeggen.

Er zat niets anders op om de huissleutel bij LOML op te halen, bij zijn kantoor, om daar heen te fietsen, maar eigenlijk, zo bedacht ik me, het regende niet, het was heerlijk weer, en van zo’n fietstochtje zou ik wel even wakker worden.

Ik deed de deur van zijn kantoor open, via het raam zag ik hem al zitten. Achter zijn computer, geconcentreerd. Hij keek op en zag mij staan. Wat is er, vraagt hij verbaasd en een beetje geschrokken.

Nee, niets, zeg ik lachend, zo stom, mijn sleutel vergeten. Och, zegt hij. Nou kom maar binnen dan. Zal ik koffie voor je maken?

Op zijn kantoor altijd heerlijke koffie. Ja graag zeg ik, ik doe mijn jas uit, mijn schoenen uit, dat doe ik automatisch als ik me ergens op mijn gemak voel, bovendien heeft hij op kantoor een heerlijke bank en lekker zittende stoelen.

Hij geeft een warme kop koffie aan me en zegt “kom even bij mij zitten”, terwijl hij weer achter zijn bureau ging zitten.

Stilte. Ik zit in kleermakersstoel in de stoel tegenover hem, mijn handen om de warme kop koffie heen gevouwen.

“Nou”, zegt hij. “Hoe gaat het nou met jou?”. Ik blaas in het kopje. De warmte wolkjes stijgen naar boven. “Ja goed he”, zeg ik tegen hem, en ik kijk hem aan. Ik moet lachen.

We praatten. Over het nieuwe huis, wat moest er nog allemaal gebeuren. Bel jij die, bel jij die, oh dan komt die, we moeten dit nog regelen. “Nog een kop koffie dan”, zeg ik tegen hem, “ik ga zo sporten”.

“Komt eraan mevrouw”, zegt hij en hij staat weer op. Ik keek hem na. Keek daarna om me heen.

Een keer was ik hem op komen zoeken in het buitenland, hij was op zakenreis, we zouden daarna meteen op vakantie gaan, dus ik vloog op zijn laatste dag naar hem toe zodat we samen verder zouden reizen.

Ik weet nog hoe ik in zijn hotelkamer om me heen keek. Zijn koffer open. De deken van het bed half omgeslagen, precies hoe hij thuis ook altijd doet. Zijn toiletspullen in de badkamer. Zijn laptop op het nachtkastje. “Dus hier woon jij nu”, zei ik tegen hem, en hij zei met zijn armen wijd “mijn tijdelijke domein”.

Hetzelfde gevoel had ik die dag bij zijn kantoor. Zijn ruimte, zijn domein. Ik kwam, voor even, in zijn omgeving. Ik zag facturen op zijn bureau liggen, de administratie in een bakje, zijn pen bij zijn toetsenbord, net als zijn telefoon.

Ik vond het mateloos interessant, hoe hij daar zat. Mijn man. Mijn liefde. Er is iets aan dat gevoel, het gevoel dat je er niet bij bent, een deel dat niet van jou is, en toch mag je even binnenkijken.

Ik vroeg me ook af of hij dat gevoel bij mij had. Alleen, ik ben thuismoeder. Thuis is ook zijn huis. Blijft er wel iets mysterieus aan mij, vraag ik dan me af, iets wat alleen van mij is, en hij ook mij stiekem kon bekijken. Of is dat het niet, en is dat weer zo’n teken, zo’n gevoel, dat ik soms heb, ik heb dat wel bij jou. Jij hebt dat vast niet bij mij.

“Ik ga”, zeg ik, terwijl ik de laatste slok opdronk. Ik sta op. “Schrok je zonet toen je mij zag”, vraag ik hem. “Nee hoor”, zegt hij. “Ik ben hier. Altijd. Aan het wachten op jou”. Hij had een glimlach op zijn gezicht.

De volgende dag zei hij hoe fijn het was om mij even te zien op kantoor.

Zine 1 “Liefde” (2019). Boek 1. “Ik ben er (ook) nog” (maart 2020). Ben trouwens ook nog eens moeder.

Get the Medium app

A button that says 'Download on the App Store', and if clicked it will lead you to the iOS App store
A button that says 'Get it on, Google Play', and if clicked it will lead you to the Google Play store